Logistiek komt met name tot uitdrukking in de fysieke distributie als de goederenstroom van schakel naar schakel in de keten wordt verplaatst. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op verschillende aspecten en vormen van netwerken op distributiegebied.
We kunnen onderscheid maken in twee typen netwerken: collectie- en distributienetwerken enerzijds en verplaatsingsnetwerken anderzijds, zoals in is weergegeven. Het verschil tussen deze netwerken komt tot uiting in de mate waarin de activiteiten gericht zijn op laadeenheden, die relatief veel transformatie- en/of afhandelingsfuncties vragen dan wel op transporteenheden, waar de translatiefunctie (de verplaatsingsfunctie) het meest dominant is.

figuur 1: functies in transport netwerken
(met indicatie van de kosten-verhouding van handling en transport)
In een verplaatsingsnetwerk komen gestandaardiseerde transporteenheden voor als containers, wissellaadbakken en FTL’s (full truckloads), waarbij de transporteenheid overeenkomt met één zending. De zending zal veelal op zichzelf zijn samengesteld uit een verzameling van meerdere kleinere zendingen, die op zich weer kunnen bestaan uit één of meerdere laadeenheden.
Verplaatsingsnetwerken zijn door knooppunten met elkaar verbonden en het transport vindt plaats met vaste, op elkaar afgestemde dienstregelingen. De gerealiseerde doorlooptijd is afhankelijk van (een combinatie van) factoren als: de gekozen modaliteit, de route, de frequenties en toegevoegde-waarde-activiteiten op de knooppunten. In collectie- en distributienetwerken is er altijd sprake van meerdere zendingen, die bestaan uit één of meer laadeenheden. De translatie kan worden ingedeeld in verschillende typen, zoals aangegeven in figuur 2.
figuur 2: 5 basis structuren voor transportnetwerken
Wij spreken van een lijndienst als de vervoerder volgens een vast schema rijdt tussen knooppunten en de opdrachtgever geen volledige heen- en terugrit aanbiedt. Op de heenrit worden goederen meegenomen in opdracht van de ene opdrachtgever en in de retourrit worden goederen voor andere opdrachtgevers meegenomen. Als de vervoerden in één rit meerdere knooppunten combineert, is sprake van een rondritstructuur
Meestal liggen de knooppunten geografisch op zodanige afstand, dat een chauffeur ze in een halve of een hele werkdag kan bereiken. Bij een rondrit-netwerk kunnen op de knooppunten ook wisselingen van modaliteiten plaatsvinden. Met name het intermodale weg-spoorvervoer kan op deze manier heel betrouwbaar, snel en flexibel functioneren.
Voor de dienstverlener, die zich bezighoudt met een rondritstructuur, is het wenselijk nauwe relaties met opdrachtgevers te onderhouden in verband met het in balans houden van de goederenstromen tussen de knooppunten van het netwerk. Het groot-volumevervoer met gestandaardiseerde wisselcontainers en de trekker-trailercombinaties zijn de transporteenheden, die gebruikt worden binnen een Europese rondrit-netwerkstructuur.
Hierbij vinden vanuit de knooppunten van een gekoppeld verplaatsingsnetwerk collectie- of distributie-activiteiten plaats. De verbindingen tussen de knooppunten komen tot stand door het verplaatsen van transporteenheden, die bestaan uit FTL en LTL (less than truckloads) zendingen. De functionaliteit van deze netwerkconfiguratie bestaat uit het samenvoegen van vele kleine goederenstromen en het vervolgens gelijktijdig over grotere afstanden verplaatsen. De fysieke inhoud van de transporteenheden is niet interessant, wel de waardedichtheid (de waarde per m3) omdat dit aspect van doorslaggevende betekenis is voor de doorlooptijd die de zendingen vereisen. Gekoppelde netwerkstructuren hebben als functie schaalefficiëntie te bereiken door combinatie, van verschillende kleine stromen. Gekoppelde netwerken vragen een sterke decentrale beheersing en uitvoering per gebied.
Bij een stervorm is sprake van een centrale vestiging, die volgens een vast rittenschema verbonden is met decentraal gelegen vestigingen. Vanuit elke decentrale vestiging vinden collectie- en disitributie-activiteiten plaats. Het centrale punt heeft de centrale beheersingsfunctie in zich en is dus eigenlijk een super transportcentrum, meestal ‘hub’ genoemd. De stervormige netwerkstructuur komt met name voor in die situaties waarbij een dienstverlener zich richt op kleine één- of meer-colli-zendingen, die van meerdere verzenders naar veel afleveradressen moeten worden gedistribueerd. Karakteristiek voor stervormige netwerken is de zeer sterk gedecentraliseerde beheersingsstructuur.
Gegeven het grote aantal kleine zendingen, die met een hoge mate van betrouwbaarheid op tijd moeten worden afgeleverd, is het voor de dienstverlener noodzakelijk te investeren in automatische sorteertechnieken en in ‘tracking en tracing’.
Een bijzondere vorm van de ster-structuur ontstaat als er maar twee punten met elkaar verbonden hoeven te worden (een ster met 2 punten), via een centraal punt. Dit wordt toegepast als voertuigen hun gebied niet kunnen of mogen verlaten. Bijvoorbeeld afdelingsgebonden automatisch geleide voertuigen (AGV’s). De structuur wordt een tandem genoemd.