Meten van de lengte van je collega’s, registreren van de vraag per dag, tellen van het aantal auto’s dat per uur langskomt, steeds als je een reeks waarnemingen doet, krijg je getallen die onderling een beetje of juist veel verschillen van grootte. Je kunt die getallenreeks op verschillende manieren duiden. Een belangrijke maatstaf daarvoor is het gemiddelde: de som van alle waarnemingen gedeeld door het aantal waarnemingen. Een andere maatstaf is de modus, de meest voorkomende waarde, denk maar aan de term modaal inkomen, dat is de hoogte van het meest voorkomende inkomen. Zie de top bij klasse 3 in figuur 1. Er is nog een getal dat kenmerkend is voor een reeks: de mediaan, dat is de waarde van middelste waarneming (als je ze eerst in volgorde van waarde hebt gezet). In het voorbeeld van figuur 1, zou die waarneming de 501-de zijn en dus vallen in klasse 4.
Soms liggen alle waarnemingen dicht rondom het gemiddelde, maar soms juist niet. Er zijn maatstaven, kenmerken, om de mate uit te drukken, waarin de waarden in je reeks afwijken van het gemiddelde van die reeks. Een simpel kenmerk is de range, het verschil tussen de grootste en de kleinste waarneming. In de statistiek zul je als maatstaf voor de spreiding meestal gebruik maken van het begrip standaardspreiding of standaarddeviatie, meestal aangeduid met sigma, met het symbool s.
De standaarddeviatie (σ) geeft aan in welke mate de afzonderlijke waarnemingen afwijken van het gemiddelde. Het is de meetkundig gemiddelde afwijking. In formulevorm:

Een kort voorbeeld om het principe te verduidelijken, gebaseerd op de waarnemingen uit tabel 1 (het voorbeeld over de afwijkingen in viscositeit). Aan de tabel met klassen en aantal waarnemingen (de turflijst) voegen we 4 kolommen toe, waarin de hulpberekeningen worden uitgevoerd.

Tabel 3: hulptabel voor berekening van de standaarddeviatie
Toelichting bij tabel 3:
3715/1000 = 3,715
Een paar aanvullingen: