Leerdoelen
In deze module wordt behandeld hoe met behulp van Pareto- of Lorenz-analyses groepen binnen een assortiment kunnen worden gevormd, die ieder op een andere manier worden beheerd. Per groep kunnen andere parameters worden vastgesteld voor seriegrootte, veiligheidsvoorraad en opslagpunten in de keten. Daarnaast wordt uitgelegd hoe veiligheidsvoorraad in een distributienetwerk kan worden verlaagd door het beheer van de voorraad te centraliseren.
Inleiding
Deze module richt zich op het beheren van voorraden voor verschillende soorten producten binnen een assortiment of distributienetwerk. Een praktische benadering van assortimentsbeheer begint met het verdelen van artikelen in groepen op basis van hun relatieve belang. Vervolgens worden per groep de seriegrootte en veiligheidsvoorraad vastgesteld. In de praktijk wordt hiervoor vaak een ABC-analyse toegepast op basis van de jaaromzet.
De ABC-analyse is gebaseerd op de 80-20-regel, die stelt dat een groot deel van het gevolg kan worden herleid tot een klein deel van de oorzaken. Deze wetmatigheid is onder andere beschreven door Lorenz, Pareto en Juran. Juran duidde dit principe aan als het onderscheid tussen de “significant few” en de “trivial many”. Door de belangrijkste artikelen te identificeren, kan met relatief weinig inspanning een groot effect worden bereikt in termen van omzet, winst of voorraadkosten.
1. De Pareto-curve
De Pareto-curve is de grafische weergave van een ABC-analyse en wordt ook wel het Pareto-diagram of de Lorenz-curve genoemd. Op de horizontale as worden alle artikelen weergegeven, gerangschikt naar afnemende omzet. Op de verticale as staat de cumulatieve omzet. Uit de curve kan worden afgelezen welk deel van het assortiment verantwoordelijk is voor welk deel van de omzet.
In een typisch voorbeeld blijkt dat ongeveer 20% van de artikelen verantwoordelijk is voor circa 80% van de omzet. Deze artikelen vormen de A-categorie. De volgende 30% van de artikelen realiseert ongeveer 15% van de omzet en wordt aangeduid als B-categorie. De resterende 50% van de artikelen levert slechts 5% van de omzet en vormt de C-categorie. De A- en B-artikelen samen vormen ongeveer de helft van het assortiment, maar zijn verantwoordelijk voor circa 95% van de omzet. De A-categorie kan verder worden verfijnd, bijvoorbeeld door vast te stellen dat een zeer klein deel van het assortiment al een groot deel van de omzet realiseert.
De analyse roept vragen op over de rol en het nut van de verschillende artikelgroepen, zoals hun bijdrage aan omzet, winst en magazijnruimte, hun positie in de productlevenscyclus en hun belang voor het totale assortiment.
2. ABC-analyse ten behoeve van voorraadbeheer
Wanneer de ABC-analyse wordt toegepast voor voorraadbeheer, wordt doorgaans begonnen met een classificatie op basis van jaaromzetwaarde. Vervolgens wordt beoordeeld of artikelen op basis van andere criteria in een hogere categorie moeten worden ingedeeld. Aanleidingen hiervoor kunnen onder andere zijn volume, prijs, afbreukrisico, levertijd, opslagcondities, houdbaarheid en kosten van nee-verkoop.
Na de eerste indeling op omzet worden aanvullende criteria systematisch meegenomen om tot een eindclassificatie te komen. Indien een artikel op één van deze criteria in een hogere categorie valt, wordt de eindclassificatie verhoogd. Op deze manier ontstaat een meer genuanceerde indeling die beter aansluit bij de beheersinspanning die een artikel vereist.
Naast een ABC-indeling op omzet is het vaak noodzakelijk om ook een ABC-indeling op afzet te maken. Door beide indelingen te combineren ontstaat een classificatie die inzicht geeft in zowel de waarde als het verbruik van artikelen. Zo kan onderscheid worden gemaakt tussen dure artikelen met lage afzet en goedkope artikelen met hoge afzet. Op basis van deze gecombineerde indeling kunnen passende beheersmaatregelen worden gekozen.
Voor A-artikelen geldt dat zij intensief moeten worden beheerd, met nauwkeurige opvolging van bestellingen, frequente voorraadtellingen, continue voorraadregistratie en regelmatige herberekening van seriegrootte en veiligheidsvoorraad. B-artikelen worden op vergelijkbare wijze beheerd, maar met een lagere frequentie. C-artikelen met lage waarde en lage afzet kunnen vaak uit het assortiment worden genomen of alleen op order worden ingekocht.
3. ABC-analyse en dekkingsbijdrage
Een ABC-analyse op omzetwaarde is vooral geschikt om het geïnvesteerde vermogen en de voorraadkosten te beheersen. Een ABC-analyse op afzet geeft inzicht in hardlopers en langzaamlopers en helpt bij het identificeren van incourante artikelen. Bij de beoordeling van artikelen is het echter ook belangrijk om rekening te houden met de dekkingsbijdrage.
De dekkingsbijdrage van een artikel wordt bepaald door het verschil tussen verkoopprijs en kostprijs, vermenigvuldigd met de jaarafzet. De totale dekkingsbijdrage van het assortiment is de som van de bijdragen van alle artikelen. De relatieve dekkingsbijdrage geeft aan welk aandeel een artikel levert aan het totale resultaat.
Artikelen met een hoge dekkingsbijdrage rechtvaardigen doorgaans een hogere servicegraad om verlies van omzet en marge te voorkomen. Daarom moet bij het vaststellen van servicegraad en veiligheidsvoorraad niet alleen naar omzet of afzet worden gekeken, maar ook naar de bijdrage aan het bedrijfsresultaat.
4. Assortimentbeheer met ABC-analyses
Bij een groot assortiment is het niet haalbaar om per artikel afzonderlijk het optimale bestelsysteem en de servicegraad vast te stellen. Het hanteren van uniforme normen voor het gehele assortiment leidt echter zelden tot een optimale voorraadsituatie. Differentiatie is daarom noodzakelijk.
Een praktische aanpak bestaat uit het indelen van het assortiment in categorieën met behulp van de ABC-analyse en het vaststellen van specifieke normen voor seriegrootte en veiligheidsvoorraad per categorie. Door deze differentiatie kunnen zowel de voorraadwaarde als het aantal bestellingen worden verlaagd, terwijl de gewenste servicegraad behouden blijft.
Voorbeelden laten zien dat door het toepassen van verschillende voorraadregels per categorie aanzienlijke besparingen kunnen worden gerealiseerd op voorraadwaarde en administratieve inspanning. Daarbij wordt benadrukt dat veiligheidsvoorraad idealiter niet wordt gebaseerd op omzet of verbruik, maar op de gewenste servicegraad en de variatie in de vraag.
ABC-analyses kunnen ook worden gebruikt om incourante artikelen te identificeren, bijvoorbeeld door te kijken naar omloopsnelheid of dekking. Op basis hiervan kunnen commerciële beslissingen worden genomen over het saneren van het assortiment.
5. Prestatie-indicatoren voor voorraad
Bij voorraadbeheer staan twee logistieke doelstellingen centraal: het behalen van de gewenste servicegraad en het beperken van de voorraad en de bijbehorende kosten. Voor de servicegraad wordt gemeten in hoeverre direct uit voorraad kan worden geleverd. Voor de voorraadomvang worden prestatie-indicatoren gebruikt zoals dekking en omloopsnelheid.
Dekking geeft aan voor hoeveel tijdsperioden de aanwezige voorraad voldoende is, uitgedrukt in dagen, weken of maanden. De omloopsnelheid geeft aan hoe vaak de voorraad in een bepaalde periode wordt verbruikt. Deze indicatoren maken het mogelijk om het voorraadbeleid te vergelijken met eerdere perioden of met andere organisaties.
6. De ABC-analyse gebruiken in een distributienetwerk
In een distributienetwerk kunnen Pareto-analyses worden gecombineerd, bijvoorbeeld op basis van afzet, volume en waarde. Op basis hiervan kunnen beslissingen worden genomen over leverfrequenties, opslaglocaties en distributiestructuur. Artikelen met hoge afzet en groot volume kunnen baat hebben bij hogere leverfrequenties en decentrale opslag, terwijl artikelen met lage afzet en lage waarde geschikt zijn voor centrale opslag.
6.1 Een centraal cross-docking ontvangst-DC
Door gebruik te maken van cross-docking kunnen voorraden in de keten worden verlaagd. In een cross-dockingstructuur worden goederen direct doorgestuurd zonder opslag. Door de vraag uit meerdere regionale distributiecentra te bundelen en centraal te bestellen, kan de spreiding in de vraag worden verminderd. Hierdoor is minder veiligheidsvoorraad nodig.
Voorwaarden voor toepassing van dit model zijn onder andere een stabiele vraag, constante levertijden en nalevering van onvervulde vraag. Door centralisatie van de ontvangst en het zo laat mogelijk toewijzen van voorraad aan regionale distributiecentra kan de totale veiligheidsvoorraad in de keten aanzienlijk worden verlaagd.
6.2 Gebruik van een virtueel CDC
In plaats van een fysiek centraal distributiecentrum kan ook worden gewerkt met een virtueel CDC. Hierbij worden vraagvoorspellingen en voorraadgegevens gecentraliseerd, terwijl de fysieke distributie via bestaande locaties verloopt. Bestellingen worden centraal geplaatst en pas vlak voor levering toegewezen aan de verschillende distributiecentra. Deze aanpak kan zeer effectief zijn en maakt het mogelijk om veiligheidsvoorraden te reduceren zonder extra fysieke infrastructuur.